Ik lig in het gras,
het is warm.
Ik hoor één vogel fluiten, één!
Een stinkend briesje glijdt langs mijn neus.
Ik kijk naar een boom, oud en grijs.
Hij wordt omringd door de o zo zwarte lucht.
Bijna zo zwart als de nacht.
Ik veeg met m’n handen over het zachte gras.
Op mijn vingertoppen zie en voel ik het donkerzwarte roet,
dat elke dag weer over de stad neerdwarrelt
als sneeuw die uit mijn jeugd terugkeert.
Het wit verdwenen.
Het zwart verschenen.
Het verdween zoals het ijs brak en een wondere wereld liet verdwijnen.
De chaos neemt toe wanneer het waardevolle verdrinkt.
De uitstervende planeet die overmeesterd wordt
door tropische winters en bloedhete zomers.
Woedende lava die de continenten beheert.
Deze mooie wereld zonder kleuren,
alleen 50 tinten grijs,
wordt de toekomst waar we zijn.

(Lena en Nuria, Sint Aloysiusinstituut, Lier)